Gerechtsgebouw Gent Vande Rostyne

AANSTELLERS-AANSPRAKELIJKHEID EN INTERIMWERK

Vraag: wie draait als aansteller op voor de geldboete en de kosten waartoe een uitzendkracht door bv. de politierechtbank veroordeeld wordt?

Als werknemers voor een verkeersinbreuk die tijdens de werkuren werd begaan als beklaagde worden gedagvaard voor de politierechtbank, wordt hun werkgever heel vaak mee gedagvaard als burgerrechtelijk aansprakelijke partij.

Dat gebeurt onder meer op basis van art. 67 van de Wegverkeerswet, dat bepaalt dat zij die overeenkomstig art. 1384 BW burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor schadevergoeding en kosten insgelijks aansprakelijk zijn voor de geldboete. Volgens art. 1384, derde lid BW zijn de meesters en zij die anderen aanstellen aansprakelijk voor de schade door hun dienstboden en aangestelden veroorzaakt in de bediening waartoe zij hen gebezigd hebben.

Hamvraag is echter wie in de zin van art. 1384, derde lid BW burgerrechtelijk aansprakelijk is als er gewerkt wordt met uitzendkrachten.

Het cruciale punt bij de oplossing van die vraag is te weten wie de feitelijke gezagsuitoefening in handen heeft ten aanzien van de uitzendkracht, kortom wie de uitzendkracht bevelen kan geven over de uitoefening van het werk.

In een arrest van 21.02.2006 oordeelde het Hof van Cassatie dat uit (het inmiddels opgeheven) art. 42 van de Wet van 24.07.1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers (BS 20.08.1987) volgt dat de aansprakelijkheid van de houder van een uitzendbureau voor de betaling van de geldboete waartoe de uitzendkracht veroordeeld is afhankelijk is van zijn wettelijke aansprakelijkheid voor zijn aangestelde overeenkomstig art. 1384, derde lid BW. Die wettelijke aansprakelijkheid bestaat, aldus het Hof, van zodra een persoon zijn gezag of zijn toezicht kan uitoefenen op de daden van een andere. Daartoe moet concreet worden nagegaan onder wiens feitelijk gezag en toezicht de aangestelde stond op het ogenblik van de feiten (Cass. (2e k.) 21.02.2006, Arr.Cass. 2006, afl. 2, 419).

Het is dan ook vrij logisch dat het bij uitzendarbeid in de regel niet het uitzendkantoor is dat als burgerrechtelijk aansprakelijke aansteller zal worden beschouwd. Het feitelijk gezag over de uitzendkracht berust immers normaliter bij de gebruiker (de zogenaamde “gelegenheidsaansteller”), zodat die als aansteller wordt gezien, waardoor hij tevens burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de geldboeten en de kosten waartoe de uitzendkracht wordt veroordeeld. Dat blijkt heel duidelijk uit de rechtspraak:

  • Gent (1e k.) 28.10.2004, T.Verz. 2006, afl. 4, 444: de interimarbeider is de aangestelde van de tewerkstellende onderneming.

  • Brussel 05.12.2000, AJT 2000-01, 468 en TBH 2001, 337, noot M. DE GRAEVE:

    “Dat immers de gebruiker of gelegenheidswerkgever met uitsluiting van het uitzendbureau als aansteller t.a.v. de uitzendkracht burgerrechtelijk aansprakelijk is in de zin van artikel 1384, derde lid, B.W. (Cass. 8 november 1979, Arr. Cass. 1979-80, 303);

    Dat de werknemer die in opdracht van zijn werkgever werkzaamheden voor een derde verricht, als aangestelde van deze laatste en niet van zijn werkgever handelt, in zoverre hij die werkzaamheden onder het feitelijk gezag van de derde uitvoert, ongeacht de wijze waarop hij zijn taak volbrengt en ongeacht de fout die hij in de uitoefening van zijn opdracht begaat (Cass. 31 oktober 1980, R.W. 1980-81, 1053, met conclusie van advocaat-generaal Lenaerts);

    Dat de uitzendkrachten van geïntimeerde in feite onder leiding en toezicht van de gebruiker staan; dat deze feitelijke gezagsverhouding maakt dat de gebruiker de aansteller is;

    Dat in beginsel geïntimeerde als uitzendbureau t.a.v. haar uitzendkrachten niet als aansteller in de zin van artikel 1384, derde lid, B.W. mag worden aangezien en derhalve niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade die de uitzendkracht veroorzaakt tijdens de werkzaamheden verricht onder het feitelijk gezag van de gebruiker”.
  • Luik 05.11.1992, T.Verz. 1993, 486: De arbeider die in opdracht van zijn werkgever activiteiten voor een derde uitoefent, handelt als een aangestelde van deze laatste en niet van zijn werkgever, voor zover hij zijn activiteiten onder het feitelijke gezag van deze derde uitoefent. Deze derde is in dit geval aansprakelijk op basis van art. 1384, derde lid BW.

  • Brussel 28.04.1992, JLMB 1994, 40, noot G. SCHAMPS: De juridische ondergeschiktheid van uitzendkrachten mag niet worden verward met het feitelijk gezag dat op hen wordt uitgeoefend gedurende de uitvoering van het werk. De arbeider die, op bevel van zijn werkgever, beroepswerkzaamheden verricht voor een derde, handelt als aangestelde van deze laatste en niet van zijn werkgever, in zoverre hij zijn beroepswerkzaamheden verricht onder het feitelijk gezag van deze derde.

  • Corr. Antwerpen (6e k. C) 04.06.2004, Soc.Kron. 2008, afl. 6, 371: Een werknemer is als aangestelde in de zin van art. 1384, derde lid BW te beschouwen wanneer hij onder het feitelijk gezag staat van de opdrachtgever. Het feit dat de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever verandert hieraan niets.

  • Kh. Oudenaarde 18.03.1997, TGR 1997, 227: Het uitzendbureau heeft niet de concrete mogelijkheid om feitelijk toezicht uit te oefenen op de uitzendkracht. De gezagsverhouding die ontstaat door de arbeidsovereenkomst en de feitelijke gezagsverhouding gaan niet altijd samen. De betekenis van het begrip aansteller en aangestelde in de zin van art. 1384 BW is veel ruimer dan de verhouding werkgever-werknemer in de arbeidsrechtelijke betekenis. Aansteller is degene die in feite gezag en toezicht uitoefent op de daden, nl. de feitelijke werkgever. De overdracht van de burgerlijke verantwoordelijkheid in de overeenkomst voor dienstprestaties van uitzendarbeid aan de gebruiker is rechtmatig. Niet het uitzendbureau doch enkel de gebruiker dient de aansprakelijkheid te dragen voor de fouten door de uitzendkracht gepleegd.

  • Pol. Gent 19.01.2001, Verkeersrecht 2002, afl. 4, 152:

    “Doorslaggevend voor de beoordeling van het begrip aangestelde is dat de gelegenheidspatroon de feitelijke gezagsuitoefening in handen heeft over de uitgeleende arbeidskracht, nu de juridische en de feitelijke gezagsverhouding niet meer samenvallen, zodat in de mate dat het interimbureau dat eerste beklaagde uitzond de werkgever was van eerste beklaagde deze laatste niettemin op het moment van de feiten de aangestelde was van tweede gedaagde voor wie hij, mogelijks in opdracht van het interimbureau, zijn werkzaamheden verrichtte (Cass. 31 oktober 1980, R.W. 1980-81, 1053, met conclusie advocaat-generaal Lenaerts, inzonderheid kol. 1056).

    Ten deze is tweede gedaagde derhalve wel degelijk burgerlijk aansprakelijk voor eerste beklaagde”.

  • Pol. Brussel 05.09.2000, JTT 2001, 55.

 

Andersluidende rechtspraak is heel uitzonderlijk (zie bv. Pol. Wervik 13.10.1993, RW 1994-95, 1174 en T.Vred. 1994, 210, waar werd geoordeeld dat wanneer een uitzendkracht schade ex delicto toebrengt zowel de gebruiker als de houder van het uitzendbureau aansprakelijk zijn voor de boete, terwijl de burgerrechtelijke aansprakelijkheid inzake schadevergoeding ligt bij hem die het feitelijk gezag uitoefent over de werknemer).

Vaak bepalen de algemene voorwaarden van een uitzendkantoor trouwens expliciet dat de gebruiker de wettelijke aansprakelijke is in de zin van art. 1384, derde lid BW (zie bv. Cass. (2e k.) 21.02.2006, Arr.Cass. 2006, afl. 2, 419; zie ook Kh. Oudenaarde 18.03.1997, TGR 1997, 227).

Conclusie: meestal wordt aangenomen dat wie effectief gebruikmaakt van de diensten van een uitzendkracht ook diens aansteller is in de zin van art. 1384, derde lid BW en dus overeenkomstig art. 67 van de Wegverkeerswet burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de geldboete en de kosten waartoe die uitzendkracht wordt veroordeeld.

- Nieuws -